Naar de inhoud
Onafhankelijk uitgezocht voor ondernemersHelder vergeleken, praktisch uitgelegd
thebusinesslife
ondernemen

Zzp-tarief onder 38 euro per uur: geen minimumtarief, wel een bewijsregel

Zelfstandige werkt aan een factuur op een laptop aan een bureau

“Minimumtarief voor zzp’ers definitief” is een kop die je deze week vaker tegenkomt. Personeelsnet zette het op 5 november op een rij: wie voor 38 euro per uur of minder werkt, wordt straks vermoed werknemer te zijn. Alleen is dat geen minimumtarief. Je mag als zzp’er gewoon voor 30 euro werken, en een opdrachtgever die je 35 euro betaalt, doet niets verbodens. Wat er wel verandert, is wie iets moet bewijzen als het misgaat. Dat is een groter verschil dan de kop doet vermoeden.

Wat de wet precies regelt

De regel staat in de wet over een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst bij een uurtarief, die al op 18 juni 2026 in het Staatsblad verscheen. Definitief was hij dus eigenlijk al voor de zomer. Er komt een nieuw artikel in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Wie werkt tegen een uurtarief onder de grens, wordt vermoed dat werk op basis van een arbeidsovereenkomst te doen.

In de wettekst zelf staat 36 euro, met de mogelijkheid voor de minister om dat bedrag aan te passen. Na indexatie komt de grens volgens Personeelsnet uit op 38 euro, prijspeil 1 januari 2026. Het vermoeden geldt vanaf 31 december 2026.

Een vermoeden is geen vonnis. Lager dan 38 euro maakt je niet automatisch werknemer, hoger dan 38 euro maakt je niet automatisch zelfstandig. Wat telt, is nog steeds hoe het werk feitelijk wordt gedaan. Het verschil zit in de bewijslast. Doet een zzp’er met een laag tarief een beroep op het vermoeden, dan moet de opdrachtgever aantonen dat er geen arbeidsovereenkomst is. Lukt dat niet, dan kan de zzp’er werknemersrechten claimen, zoals loondoorbetaling bij ziekte en ontslagbescherming.

Wat de wet niet regelt

Het punt dat ik in de meeste berichten mis: het vermoeden werkt alleen in het arbeidsrecht. De SRA wees er in juli al op dat UWV, Belastingdienst en Arbeidsinspectie het vermoeden niet toetsen. Het is een middel voor de zzp’er die naar de rechter stapt, geen fiscale grens.

Dat werkt twee kanten op. Een tarief boven 38 euro is geen vrijbrief tegenover de Belastingdienst. Die kijkt bij schijnzelfstandigheid naar gezag, inbedding in de organisatie en vervanging, en dat blijft zo. Vanaf 1 januari 2027 handhaaft de fiscus daar weer volledig op, inclusief boetes. Op welke opdrachten de inspecteur als eerste let, lees je in ons stuk over schijnzelfstandigheid in 2027. Een tarief onder de grens is omgekeerd ook geen automatische naheffing. Het risico zit in de rechtszaal, als een zzp’er zelf zijn rechten opeist.

Los hiervan loopt nog de Zelfstandigenwet, die volgens de plannen in januari 2028 ingaat en over een heel ander soort toets gaat. Waarom die wet nog veel onzekerheid geeft, schreef ik eerder in het stuk over het oordeel van het ATR.

Wat je nu regelt

Werk je als zzp’er onder of rond de 38 euro, reken dan eerst je tarief na. Voor de meeste zelfstandigen is een uurtarief onder die grens sowieso lastig rond te krijgen als je ziekte, pensioen en onbetaalde uren meetelt. Hoe je een hoger tarief bespreekt, staat in je tarief verhogen als opdrachtgevers op prijs drukken.

Ben je opdrachtgever, leg dan je lopende opdrachten met een uurtarief tot 38 euro apart. Bij elke opdracht moet je straks kunnen laten zien waarom het geen dienstverband is. Dat betekent een omschreven resultaat, vrijheid in hoe het werk wordt gedaan en geen inbedding alsof het een collega is.

Mijn advies is om het vermoeden niet als grens te gebruiken waar je net boven gaat zitten. Wie zijn tarief op 38,50 euro zet om het risico te ontlopen, lost niets op als het werk verder op een dienstverband lijkt.